|
het proza...
Magdalena Aspeslagh (1870 - 1946)
De dingen des levens.
Magdalena Aspeslagh werd geboren op 13 mei 1870. Ze was het achtste kind van godvrezende boeren die in het West-Vlaamse Lichtervelde koeien en zwijnen en granen kweekten. Vier broers en drie zusters had haar moeder reeds ter wereld gebracht en nog zocht vader elke nacht weer toenadering.
Madeleintje was een tengere boreling. Moeder Dorine hield haar hart vast als het kleine meisje aan haar borst lag, ternauwernood zuigend, ternauwernood drinkend. En mager, maar máger dat dat kind was! Niet zelden dacht Dorine dat Madeleintje aan haar borst zou in slaap vallen en dan maar gewoon zachtjes zou uitdoven.
Madeleintje overleefde echter. Stil, broos en kwetsbaar opende zij elke dag 's morgens weer haar oogjes en zette zij zich aan 't leven. En zo werd ze toch twee jaar. En drie jaar. En vier jaar. En gaandeweg vond zij haar weg in het druistige (onstuimige) leven op de boerderij. Ondertussen was ze zelfs al niet meer de kleinste van de bende, want vaders levenslust had ervoor gezorgd dat er ondertussen nog twee zusjes waren geboren. En zij werd vijf jaar. En zes jaar. En nog een broertje. "Vader toch, hoe gaan wij die kinders allemaal te eten geven?" "Zwijgt, vrouwe, de oogst is van de jare weer goed gelukt; kom laat mij u nog ne keer gaarne zien."
Van koeien en paarden en zwijnen en van al die andere grote beesten op de boerderij hield Madeleintje niet. Zij hield zich liever bezig met de kleinere dieren: de kippen, de poezen, de hond, haar twee kleine zusjes en haar broertje. Moeder Dorine wist op den duur wel dat zij al die schepsels aan Magdalena kon toevertrouwen.
's Morgens was Madeleintjes eerste werk het voederen van al dat bedrijvig, klein volk. Als zij op het erf stapte, kwam de haan en al zijn kippen rond haar benen draaien en het was een lust voor het oog om te zien hoe zij de mais kwistig rondstrooide en hoe al dat pluimvee pikte en pikte en pikte. Madeleintje had al haar beesten een naam gegeven en soms pakte ze er lukraak een uit om aan haar borst te drukken en dan was zo'n kip zó stil, zó overdonderd... Het was een grote eer om te worden opgepakt door Madeleintje. Met de twee poezen en met de hond Lampe had Dorien een speciale band: die hadden heel de godganse dag toch niks anders te doen en zij volgden haar dan ook als haar schaduw; de katten tot aan de rand van het erf en de hond zelfs tot in het dorp, naar de bakker, als zij eieren ging verkopen op de zaterdagmarkt, als zij gewoon naar de schoenmaker ging om opgelapte schoenen of kloefen (klompen) te gaan ophalen, altijd was zij vergezeld van haar hond Lampe. Een keer was Dorientje aangesproken door Wannes De Kezel met zijn vieze en gescheurde lompen om zijn lichaam en toen was Lampe de arme man zowaar aangevlogen en had in zijn hand gebeten. Toen Wannes daarop zijn beklag kwam doen op het erf, kreeg hij te maken met de boer die hem nu te lijf ging met een riek en hem toebeet dat "Als ge nog ene keer in de omgeving van ons Magdalenaatje durft komen, dan krijgt ge niet alleen te maken met den hond!"
En Madeleine ging naar school. En zij was wel klein en kwetsbaar, maar geen één die haar durfde aan te raken, want altijd beschermde die dreiging van die vier verschrikkelijke, oudere broers haar. Had men haar één haar durven krenken, Lichtervelde zou te klein zijn geweest. En zij was wel ... onbelangrijk ... maar zij was toch ook lief en daardoor graag gezien van elkendeen.
En zo werd zij dertien jaar.
Slechts de hond Lampe vergezelde haar nog op haar tochten door het dorp; de ene kat was stilletjes uitgedoofd en de andere was op zekere dag gewoon verdwenen.
En zo werd zij zestien jaar.
Madeleintje bleef een magere spriete: vel over been, kleine borstjes, niet bepaald zandloperachtig. En toch ... en toch ... Zou het dan toch waar zijn, dat op ieder potje een dekseltje past? Zo was er een boerenzoon die vanuit een naburig dorp toevallig naar de mis kwam om een overledene te eren en haar opmerkte. En Madeleintje bemerkte zijn nieuwsgierige blikken en eigenlijk waren zij haar welgevallig.
En zo werd zij zeventien jaar. Die jongeman spookte nog altijd door haar hoofd. En zij spookte ook door zijn hoofd, want zekere zaterdag verscheen hij opnieuw in het dorp, zogezegd om klompen te kopen en toevallig liep hij Madeleine met haar hond tegen het lijf. En van het een kwam het ander: zij begonnen aan elkaar te schrijven. Hij, met een hoekig, lelijk handschrift en zij, met het puntje van haar tong tussen haar lippen: "Beste Jooris ik schrijf je weer eens omdat onze hond Lampe vandaag achter een keun (konijn) heeft gezeten en in de achtervolging zich zeer heeft gedaan aan een stekkerdraad (prikkeldraad)." En hun brieven werden steeds vertrouwelijker en Madeleine achttien jaar.
De boer en de boerin zagen dit alles met ongeloof en schrik aan: hun Madeleintje in kennis met een brute boerenzoon. Zij hielden hun hart vast. Maar aan de andere kant begonnen zij te beseffen dat Magdalena het tot nu toe eigenlijk tamelijk goed had gedaan en dat zij misschien toch nog haar draai in het leven zou vinden en uiteindelijk ook 'van de straat geraken'.
Maar Magdalena twijfelde. Zij getrouwd? En wat ge dan allemaal moet doen met een man? En aan de andere kant ... voelde zij soms niet een vreemde warmte door haar lijf stromen, als zij weer eens brief van haar ... lief ... ontving.
De vrijage werd ernstig. Joris kwam steeds vaker de zondag op bezoek en samen maakten Magdalena en hij dan lange wandelingen door de velden en langs de boerenerven.
Maar trouwen? Madeleine huiverde bij de gedachte. Zij voelde zich zo klein, zo onbelangrijk. En zouden er dan kinderen van komen? En hoe doet ge dat allemaal? En zou zij haar Joris wel waard zijn? Zou zij hem aan haar kunnen binden?
Ze trouwden toch en zij ervoer voor het eerst het geweld van een man. Toen hij haar de eerste keer beetpakte 'voor echt' kon zij geen kant meer op. Pijn en verwarring. Maar ook, een vreemde verrukking. Zou dit nu wellust zijn? Een naakt mannenlichaam. Voor het eerst. Dat mogen bepotelen. En die gretigheid in zijn ogen. Had zij dit veroorzaakt? Gaandeweg bleef de pijn achterwege; de wellust bleef, neen, nam toe.
Zij voelde zich voor het eerst in haar leven vrouw. Haar zelfvertrouwen groeide. Zij, die nooit een groot gedacht van zichzelf had gehad, besefte nu dat zij er in slaagde een man in vervoering te brengen. En zij genoot zelf met volle teugen van deze nieuw ontdekte roes. Het leven op de boerderij kon zij wel aan: zij had zelf nooit anders gezien bij haar ouders. En haar tenger lichaam bleek taai te zijn. Ook op het gebied van de liefde. Soms, over de noen, zag zij hem naar huis komen en, over de afwasbak gebogen, glimlachte zij. Zij wist dat hij weer niet van haar af zou kunnen blijven en glimlachte. En hoewel de boerenstiel hard is, was er toch elke nacht dat heerlijke spel. Ze had een nieuwe reden om voor te leven.
Tien maanden later was Magdalena in positie (zwanger). De schrik sloeg haar om het hart. De boerenstiel kende zij nu wel, maar kinders de borst geven, hoe doet ge dat? En als ge de koeien aan het melken zijt, wat doet ge dan met de kinders? Jooris zag het wél zitten: "Ge zijt gezond," zei hij, "wat zoudt gij niet voor kinders kunnen zorgen!"
Ze kwamen, die kinders, en ze zorgde ervoor! Er was eigenlijk niks aan. En hoe meer er kwamen, hoe beter het ging. Ze zat nu al aan nummer drie en ze begon er plezier aan te beleven. Haar zusters keken haar met bewonderende blikken aan, want ze hadden nooit gedacht dat Madeleintje het in haar had. Een ferme vent, een grote boerderij en al drie koters. Neen, ze herkenden het frêle Madeleintje van vroeger niet meer. Hare vent zat wel eens in de drie maanden in de café De Lichtboeie op het kerkeplein, maar welke vent laat zich nu en dan eens niet gaan? En was Magdalena hem de tweede keer niet komen halen? "Joris, in de plekke van (in plaats van) al ons geld hier te verzuipen, zoudt ge beter een nieuwe koe kopen!" En was hij niet gedwee meegekomen? En had zij zich de volgende dag niet laten achternazitten in de stal, tussen de beesten.
Haar volgende zwangerschap sloeg tegen (liep mis): een doodgeboren velleke. Magdalena was er dagenlang ziek en moedeloos van, en dan ook nog eens het besef 'van het niet meer aan te kunnen'. "Tevele," zei ze tegen haar vent, "'t is tevele! Tevele kinders, tevele beesten, tevele land, tevele leven, tevele."
Maar ze herpakte zich. Wat was het probleem eigenlijk? Die drie anderen leefden toch nog?!? En Lampe was toch ook doodgegaan? Dat was ook al weer zo lang geleden; hij was bijna vergeten. Het leven moest voortgaan en er moest nu maar eens een nieuwe hond komen: Ratte, een klein mormel dat nog een beetje onvast op z'n poten stond en in zijn zotte levensblijheid zijn snelheid verkeerd inschatte en tegen de deur van de stal knalde. Magdalena proestte het uit. Ja, zij kon weer lachen. Haar krachten namen toe en zij hervatte haar dagelijkse bezigheden.
Toen haar oudste zoon achttien jaar was, stond hij op een dag plots achter haar. Madeleine was de aardappelen aan het schillen. "Moeder, ik ga in het klooster." "Hoe, ge gaat in het klooster?!?" "Ja, ik ga in het klooster!" En hij ging. En ze moest er zich wel bij neerleggen. Eigenlijk was ze er trots op. Nu had haar gezin ook zijn pater. Vader zei er niet veel van, maar tegen moeder kon hij het toch niet halen.
De oorlog kwam en met hem de vrees voor dood en vernieling. Twee van haar dierbare zonen werden opgeroepen voor het leger en vertrokken met pak en zak. Ja, 't is vreemd, maar 't schijnt dat er aan de Ijzer zwaar werd gevochten. Hoe kwam het dan dat ze daar in Lichtervelde niets van merkten? Die oorlog trok aan de boerderij voorbij. Letterlijk: lange kolonnes soldaten aan de horizon en gerommel van geschut in de verte. Één keer een verdwaalde compagnie die op het erf neerzeeg. De soldaten slokten de boterhammen die Magdalena in der haast had gesmeerd gretig op. En ook: "Danke, madam." Tien keer. Twintig keer. En een beddenlaken moest er aan geloven voor het verbinden van enkele lelijke wonden. "Danke, madam." 't Is niets, dacht, Magdalena, 't is te hopen dat iemand onze Juul en onze Marcel ook te eten geeft.
Na vier jaar weer die colonnes aan de horizon, maar nu in de andere richting. Duitsers, dit keer. En weer soldaten op het erf. En weer boterhammen en beddenlakens. "Vrouwe toch, zoudt ge die Duitsers nu wel helpen?" "Och, zij hebben ook een moeder die op hen wacht." En weer: "Danke, Frau." En haar eigen twee zonen, zij keerden terug, weliswaar met een sombere, duistere blik in hun ogen, maar ze keerden terug. Heelhuids. Geen baksteen beschadigd en niemand van de kinders of de knechten of de beesten gewond. Ongeschonden uit een wereldbrand komen, ge moet het maar kunnen.
Haar man kon haar nog altijd niet gerust laten en de seizoenen en de kinders volgden elkaar op: zaaien en oogsten, bevruchten en baren, ziek zijn en genezen, oogsten die mislukken, oogsten die wonderwel gedijen, geld tekort en geld tevele. Geleidelijk aan werd zij een vrouw die ge niet zo gemakkelijk meer aan het schrikken bracht.
En toen raasde de tweede wereldoorlog over Vlaanderen heen. "Allez, vooruit," mompelde Magdalena "de eerste keer was maar om te oefenen, nu is 't totdat wij 't echt goed kunnen." Nu werd hun zesentwintigjarige Gijs opgeroepen voor het leger, een beetje een simpele jongen, maar een beer van een vent. En vader, vader begon een godsgruwelijke hekel te krijgen aan alles wat Duits was. En moeder, moeder vroeg zich af wanneer de staat eens iets voor hen zou doen. Want die staat, die stond indertijd toch ook niet klaar met een reservetiet als de kinders elkaar in snel tempo opvolgden!
In de stad was er voedselschaarste, maar daar hadden ze in Lichtervelde geen last van. In Holland hadden ze er blijkbaar wél last van, want dat land deelde nu ook in de klappen. De oudste dochter, die met een Hollander getrouwd was, berichtte: "Lieve moeder, we zien af en we lijden honger." Magdalena snapte het niet zo goed. Hier op het platteland bleef het gras groeien, de koeien bleven melk geven en de varkens werden toch niet gebombardeerd?!? Moeder schreef terug: "Kom were naar huis en brengt man en kinders mee." Aldus geschiedde. En met nog meer nadruk nu: "Heer, zegen ons en ook deze spijzen die uw milde hand ons geeft, door Christus onze Heer, amen."
Verrassing: na drie maanden keerde Gijs terug naar huis: een Duits jachtvliegtuig had zijn colonne beschoten. Iedereen de gracht in, maar een verdwaalde kogel had hem in de schouder geraakt. "Vandecasteele, gij moogt naar huis." "Tot uw orders kapitein." Een geluk bij een ongeluk.
En ze moesten daar in Lichtervelde goed bezig geweest zijn, want weer besloot God de hoeve en alles wat er op leefde en werkte te ontzien (sparen). Zelfs de bevrijder in 1945 achtte het niet de moeite waard om eens langs te komen.
't Was vlak na die tweede oorlog dat Magdalena plots begon te kwakkelen. Er was nog één aspect van het leven dat zij niet kende: zélf doodgaan. Het begon met hoesten en krochen het eindigde in draaierig worden en vallen en verward zijn.
Het was op een koude winternacht. In haar laatste uren overschouwde zij met trots de bende die zich rond haar sterfbed geschaard had. En voor haar geestesoog verschenen weer die kippen, die kippen waarvoor ze indertijd kwistig de mais had rondgestrooid. Toen was ze nog frêle en bang om het leven aan te vatten, maar toch ... toen al ... zorgen voor ... zorgen voor ... Haar oudste fluisterde haar in het oor: "Moeder, ge hebt het goed gedaan." En zij: "Zorgt goed voor uw oude vader." Toen pas sloot ze definitief de ogen.
© Drs. Johan Arendt Happolati |