Drs. Johan Arendt Happolati
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!
Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
Beginselverklaring:
 Eindelijk schrijf ik je weer, omdat er grote dingen staan te gebeuren en wel door toedoen van mijnheer Van Schoonbeke. (Openingszin uit de roman 'Kaas' van Willem Elsschot, 1933)
 
stijlvol
met liefde voor de taal
grappig
voor elck wat wils
plagen mag, judassen niet
 geen gedonderjaag met andermans lief
QUALITY PRODUCT
 
MADE IN
BRUGGE
FLANDERS
 

Medebloggers:
 
(NL) Aargh
(S)   Baasbraal
(NL) Babbel
(NL) Dawolf
(NL) Djust
(NL) Eefs log
(NL) Fredzijn U 19.02.09
(NL) Givamo
(B)   Ils
(B)   Irimi
(B)   Ivo Victoria
(NL) Jenni 
(B)   Junegirl
(NL) Margot
(NL) Miss Punt 
(NL) Muisgrijs U 04.01.08
(NL) Soyrosa
(B)   Tante Annie
(NL) T!EN
(B)   Weegbreker
(B)   Wizzewasjes
 
 
Over ons Nederlands:
 
 
(*)       Aanraders
  Nú lezen! Allen daarheen!
  (Nieuw, dus...)
 
 
 
Felix Timmermans
 
5 juli 1886 - 24 januari 1947
 
Fragment uit 'Boerenpsalm'
1935
 
 
  Een boer is verhangen naar zijn veld, hij is er als aan geketend. Een boer leeft om te werken. Alle dagen roept het veld hem wakker.
  Het kan een stuk ruige grond zijn, zoals God het uitgeasemd heeft, bruut en onbekwaam, zoals alles wat wij van Hem ontvangen.
  Een stuk brute, ruige grond. Ge kunt u omdraaien en hem laten liggen waar hij ligt, en aan de haven gaan werken. Dan slaapt ge 's avonds als een os. Maar steekt ge enkel uwen vinger in dien grond, dan wordt ge er als door wielen en katrollen met lijf en ziel in meegesleurd. Dan is die grond uw leven.
  Dag en nacht van in den donkere het bed uit, in den regen en slegen of zengende zon, gedurig voorovergebogen staan of kruipen, bij 't spitten, wieden, kappen, planten, oogsten, dorsen tot aan den laatsten draad licht. Parei planten dat is op zijn eigen al een galei. Een ander slaapt lijkt boter en droomt van schaapjes en zoetekoek, maar de boer, al is hij nog zo afgemat, ligt met één oog open. Hij luistert of er nog geen regen komt, of de regen nog niet ophoudt. Hij ziet al zijn vruchten vóór zich, hij voelt ze als iets van hem, gelijk zijn eigen vingeren. Ze snakken naar dit, of klagen van dat. Het hart van den boer klaagt of snakt mee. Hij staat op, steekt zijn kop eens buiten: hij beloert de maan en de wolken, voelt naar den wind en luistert naar zijn beesten, hij watert eens op den mesthoop, niets mag verloren gaan, het mest is een halve god, en dan kruipt hij weer achter zijn warme boerin, en wacht den morgen af. Zo gaat het dag in, dag uit, jaar om jaar, een leven lang: emmers zweet, blaren op uw handen, korstknieën en later een bult.
  Rijk zult ge er niet mee worden. Dat laat de kasteelheer niet toe. Hij moet kunnen feesten.
  Dat weet ge allemaal, en toch door den tover van uw boerenbloed speekt ge in uw handen: God zegen' ons! en ge steekt de schup in den grond.
  Van dan af zijt ge slaaf van 't veld, zoals ge de slaaf zijt van uw kinderen.
Lees meer...   (6 reacties)
Klik maar een end weg!
 
 
Medebloggers,
 
In 'De som van misverstanden' vertelt Maarten 't Hart hoe hij met het zakgeld dat hij bij de slager had verdiend, zijn eerste eigen boek (Karakter van Bordewijk) kocht en hoe zijn vader daarop reageerde.
 

Toen ik thuiskwam en het boek uitpakte, zei mijn vader:
"Wat heb je nu toch gedaan?"
"Een boek gekocht," zei ik.
Hij staarde naar het werk, hij werd niet kwaad zoals ik verwachtte, nee, twee grote tranen liepen rustig over zijn wangen omlaag.
"Hoe kun je dat nou doen," zei hij, "dat is toch zonde, zonde van je geld,"
en toen pas werd hij kwaad.

 
Medebloggers,
 
Ik denk dat mijn moedertje zaliger ook zo'n beetje over al die dingen dacht. Maar ze heeft me in elk geval nooit verboden boeken te lezen. Nee, dat nu ook weer niet.
 
Daarom is het uiteindelijk toch nog goed met mij gekomen.
 
Met vriendelijke groeten,
 
Uw eigenste,
 
Drs. Johan Arendt Happolatti
lezer van etiketten van jampotjes
en voorts van alles wat hij onder handen krijgt
Lees meer...   (22 reacties)
 
MARKENS GRODE
HOE HET GROEIDE
Najaar 1917
Knut Hamsun
 
 
 
Medebloggers,
 
Voor zijn monumentale roman Markens Grode kreeg de Noorse Knut Hamsun in 1920 de Nobelprijs voor Literatuur uitgereikt. Straks volgt er een uittreksel en U moet er maar eens op letten hoe eenvoudig de taal is die Knut Hamsun bezigt. Literatuur hoeft dus niet noodzakelijk moeilijk te zijn en als een mens dat leest, denkt hij wellicht onwillekeurig: dat zou ik eigenlijk ook wel kunnen - uiteindelijk zijn het maar eenvoudige woorden die tot zinnen aan elkaar zijn gebreid.
 
Ja, Medebloggers, eenvoudige woorden tot zinnen aan elkaar breien, dat is ons ook wel toevertrouwd, maar of wij het aankunnen met dergelijke zinnen een heel leven te verzinnen en op te bouwen, dat is een ander paar mouwen.
 
Waarover gaat het?
 
Daar is Isak, die door het Noordnoorse landschap - de bossen - trekt om zich een plek uit te zoeken die hij kan gaan ontginnen. Hij heeft een vrouw nodig, en zegt de langstrekkende Lappen, dat hij een vrouw zoekt die het werk bij hem kan doen. Zo komt Inger met de hazenlip bij hem. Mooi is ze niet, maar hij is dankbaar dat ze er is. En als ze geen hazenlip had gehad, zou ze zeker niet zijn gekomen. Over Isak en Inger en hun beide kinderen handelt het boek, en over de harmonie waarin zij met de natuur en het werk leven.
 

 
Op een dag kwam de hulp. Ze liep lang heen en weer bovenaan de berghelling vóór ze zich dorst te vertonen. 't Werd avond eer ze ertoe komen kon; maar toen kwam ze - een groot meisje met bruine ogen, weelderig en grofgebouwd, met grote goede handen, met Lappenschoenen aan de voeten, ofschoon ze geen Lap was, en een kalfsleren zak op de rug. Ze was misschien niet zo jong meer, op zijn minst toch wel tegen de dertig.
Waar kon ze bang voor zijn? Ze groette en zei haastig: "Ik moest alleen maar over de bergen en daarom nam ik deze weg."
"Zo?" zei de man.
Hij verstond haar maar half; ze sprak onduidelijk en keerde bovendien nog 't gezicht af.
"Ja," zei ze. "En 't is zo ver."
"Ja," antwoordde hij. "Je moet dus over de bergen?"
"Ja."
"Wat moet je daar?"
"Daar woont mijn familie."
"Zo, woont je familie daar? Hoe heet je?"
"Inger. En hoe heet jij?"
"Isak."
"Zo, Isak. En woon jij hier?"
"Ja, hier woon ik, en ik heb het net zoals je hier ziet."
"Dat is nog zo kwaad niet," zei ze waarderend.
Hij was al een bolleboos in 't nadenken geworden en nu viel 't hem opeens in, dat ze wel eens met een bepaalde bedoeling gekomen zou kunnen zijn. Ja, dat ze pas gisteren van huis gegaan was en alleen maar hierheen had willen komen. Misschien had ze gehoord dat hij de hulp van een vrouw nodig had.
"Kom binnen en strek je benen." zei hij.
Ze gingen de hut binnen en aten van haar proviand en dronken van zijn geitenmelk; toen zette ze koffie, die ze in een varkensblaas bij zich had. Ze genoten van de koffie en gingen naar bed.
's Nachts begeerde hij haar en zij gaf toe.
De volgende morgen ging ze niet weg en die hele dag ook niet. Ze ging aan 't werk, melkte de geiten en schuurde de melkvaten met fijn zand en kreeg ze schoon. Ze ging nooit meer weg. Inger heette zij. Isak heette hij.
 

 
Medebloggers,
 
U moet dat boek eens lezen. Het is een erg lief boek.
 
U en al uw geliefden wens ik trouwens een lang en gelukkig leven toe.
  
Drs. Johan Arendt Happolati
geheel en al opgetrokken uit mensvriendelijke materialen
Lees meer...   (5 reacties)
 
Darwin
(De Beagle, de Galapagoseilanden, de evolutietheorie,
The Origin of Species...)
 
 
Medebloggers,
 
Er zijn slimme mensen die moeilijke theorieën kunnen ontwikkelen, er zijn mensen die die theorieën aan de minder begaafde mens kunnen uitleggen en dan ben ik aan de beurt...
  
"Hoezo, Heer Happolati?" zult U zeggen, "Hebt U ook een taak te vervullen in deze ketting?" Ik hoop het. Ik hoop dat ik dan weer de korte inhoud van de uitleg van die ingewikkelde theorie kan uitbroeden.
 
Want je kunt als professor wel driekwartier voor een bord staan lullen, maar wat heb je eraan als je studenten al na een één kwartier omtollen van verveling?
 
Dus, daar gaan we.
 
De Nederlandse meheer Bas Haring heeft enige tijd geleden een jeugdboek geschreven. "Een jeugdboek!?!" zult U zeggen "Aan jeugdboeken heb ik als volwassene geen boodschap." Fout! Hartstikke fout! Het boek van die meheer Haring is immers wél bekroond met de Eureka! Wetenschapspijs, De Guiden Uil (doe het hem maar na) én met de Duitse Prijs voor het Beste Boek over Wetenschappen (allemaal met hoofdletters).
 
Dus daar gaan we...
 

 
DE EVOLUTIETHEORIE
 
 
STELLING ÉÉN (eerste stelling):
 
'Alle dieren en planten van dezelfde soort zijn een beetje verschillend.'
 
- Ja, Happolati, allemaal goed en wel, dat weet mijn rechterelleboog ook, maar wat bedoelt U nu eigenlijk?
- Wel, alle konijnen bijvoorbeeld, die hebben allemaal min of meer grote oren, en toch zult U exemplaren aantreffen met oren die nog een ietsie pietsie groter zijn dan die van andere konijnen...
- So what?
- Wacht! Niet te ongeduldig. Niet proberen te lopen vooraleer U kunt stappen.
 
 
STELLING TWEE (tweede stelling)
 
'Alle planten en dieren hebben een zwaar leven.'
 
- Hahaha, Heer Happolati, U neemt ons in de maling. 'Alle dieren en planten hebben een zwaar leven.' Hahaha! Waar wilt U nu eigenlijk naartoe?
- Wel, begrijpen jullie dit niet? Ik - eigenlijk Bas Haring - wil daarmee zeggen dat alleen de besten en de fitsten overleven, of in elk geval toch langer leven dan de andere dieren van dezelfde soort. Dus:
 
 
STELLING DRIE (derde stelling)
 
De verschillen binnen een soort, gecombineerd met de zware concurrentie in de natuur, garandeert dat dieren en planten die een tikkeltje beter kunnen overleven, hoogstwaarscijnlijk ook zullen overleven.
 
*stilte*
 
- Dat snap ik niet.
- Het is nochtans eenvoudig. Die konijnebeesten die toevallig geboren zijn met grote oren zullen de poes of de uil (hun predatoren ofte aartsvijanden) vlugger detecteren dan de andere konijntjes.
- Wat betekent 'detecteren'?
- Grrrr!!! Detecteren betekent 'opmerken', 'horen aankomen'.
- Ach zo... Dus die konijnen met die grote oren horen de vijand vlugger  dan hun soortgenoten.
- Juist.
- Dus leven ze ook langer.
- Juist. En???
- Wat en?
- Wat is daarvan het gevolg?
- Euh...
- Als ze langer leven, dan kunnen ze ook meer nakomelingen verwekken.
- Ah zo...
- En zullen er tussen die nakomelingen ook kleine konijntjes zitten met grote oren, want die eigenschap, die grote oren, die zit in de genen van mama en papa konijn.
- Er gaat mij een licht op.
- Ik hoop het. Dus beesten die toevallig een bruikbare eigenschap meegekregen hebben, die leven langer, zijn minder gestresseerd en verwekken meer nakomelingen waarvan sommigen dan - als het goed is - ook die eigenschap meegekregen hebben. En alle konijntjes met kleine oren, die gaan wel niet meteen dood, maar zij krijgen minder tijd om nakomelingen te verwekken en sterven uiteindelijk uit, zodat alleen de konijns met grote oren op deze planeet achterblijven.
- Ik word er stil van.
- Goed. Dan gaan we nu over naar...
 
 
STELLING VIER (vierde stelling
 
Dat dieren van één soort bepaalde bruikbare eigenschappen toebedeeld kregen, dat berust louter op toeval.
 
- Leg uit Happolati!
- Wel, het is niet zo dat de natuur dacht, konijns met grote oren, die leven waarschijnlijk langer, dus gaan we er een paar maken met grote oren.
- Neen?
- Niet dus! Dat zo'n konijn met grote of lange oren geboren werd, dat was louter toeval.
- Dus de natuur is uiterst verspilzuchtig in zijn variaties?
- Klopt. Dat er ergens eens een wit poolbeertje werd geboren (erg handig op het poolijs), dat was louter toeval. Eerst werden er miljoenen beertjes geboren met een bruine vacht. Er zijn trouwens ook miljoenen konijntjes geboren met zwakke voorpootjes, maar die konden niet goed holletjes graven en die zijn dus allemaal in de loop der evolutie verdwenen.
- Kijk eens aan!
- Dit is trouwens het moment om uit te leggen waarom het boek van die meheer Haring 'KAAS en de evolutietheorie' heet.
- Ja, wat heeft kaas eigenlijk te maken van die hele evolutietheorie?
- Nou, dat is een mooi hoofdstukje uit het boek. Kijk, kaas is eigenlijk een merkwaardig product. Kaas wordt gemaakt door stremsel (een vloeistof uit de maag van een kalfje) met melk te mengen. Een mens vraagt zich af wie het in godsnaam in zijn bolle hoofd heeft gekregen om de inhoud van de maag van een kalfje in melk te kieperen. Waarschijnlijk is het dus zo gegaan dat iemand PER ONGELUK de maag van een kalfje in een emmer melk heeft laten kukelen... PER ONGELUK! Na een paar dagen vond hij die emmer terug, zag dat er een vreemd goedje was gevormd, stak zijn vinger erin, proefde en kwam tot het besef dat die gele drab eigenlijk best wel lekker was... En nu lees ik een stukje voor uit het boek:
  
'Wat hebben die etenswaren nou te maken met de evolutietheorie? Dat is niet zo ingewikkeld. We hebben gezien dat kaas niet bedacht is. Niemand heeft kaas uitgevonden. Kaas is toevallig ontstaan, door een ongelukje of zo. Omdat het lekker bleek te zijn bestaat kaas nog steeds en doen we het tegenwoordig op de boterham. Met de evolutie werkt het net zo. Evolutie is een dom, 'onnadenkend' proces en dieren en planten zijn toevallige probeersels die overleven als ze blijken te werken.'
 
-Nou moe! Dat was een hele boterham. En staan er nog grappige dingen in het boek?
- Wel...
 
STELLING VIJF (vijfde stelling)
 
Alle dieren zijn geile dieren (geworden).
 
- *slik* Heer Happolati, wat zegt U nu? Wat heeft geilheid nu weer te maken met de evolutietheorie.
- 't Is simpel: geile dieren die veelvuldig en hardnekkig achter de meisjes aanzitten, die verwekken meer nakomelingen dan konijntjes die zo maar een beetje met gekruiste achterpootjes op hun rug in het zonnetje liggen. Die nakomelingen van die geile beesten, daar zitten dan weer enkele exemplaren tussen die ook hartstikke geil zijn, dat krijgen die immers mee met de genen van hun ouders. Dus die jonkies, die zijn dan ook weer bloedgeil. En naarmate de evolutie verderschrijdt, worden alle beesten alsmaar geiler...
- Goh!
- Tjah... Thank God for geile mannen...
- Wat zegt U, Heer Happolati?
- Niks... euh... ik liet mij even gaan... Nou, jongens en meisjes, dat was het zo'n beetje. Het boek staat eigenlijk bol van de interessante weetjes - waarom we doodgaan, bijvoorbeeld en waarom we met z'n allen afgesproken hebben dat we maar beter niet van elkaar kunnen stelen - maar dat zou ons te ver leiden. U moet zelf het boek maar eens lezen. Ik dank U voor uw aandacht.
 

 
En dan nu: ere wie ere toekomt:
 
Bas Haring
Kaas & de Evolutietheorie
Uitgeverij Hautekiet, Antwerpen
ISBN 90 5240 600 6
 
- 'Een pareltje van een boek waarvoor mijn bewondering steeg bij elke bladzijde .' (De Morgen)
- 'Helder, buitengewoon vermakelijk en nergens zwaar op de hand. Dit boek laat zien dat het idee van de evolutie oersimpel is, overtuigend en voor iedereen te begrijpen.' (De Volkskrant)
- 'Een briljant boekje, zeker ook interessant voor volwassenen.' (De Artsenkrant)
- 'Een opmerkelijk boek. Hete hangijzers als de natuurlijkheid van een universele moraal, homoseksualiteit of het bestaan van God worden niet geschuwd.' (Jury Gouden Uil, jeugdboeken)
- 'Iedereen die nieuwsgierig is naar de wereld om zich heen, zal op het puntje van zijn stoel zitten lezen.' Jury Eureka!-Wetenschapsprijs.
 
P.S. In het boek 'The Origin of Species wordt waarschijnlijk niet gewerkt met 'Stelling ÉÉN' en 'Stelling TWEE' enz. Het is allemaal toch net een tikkeltje ingewikkelder dan dat uw dienaar het hier beschreven heeft.
Lees meer...   (40 reacties)
Vrienden van het web,
 
Onderstaande tekst wil een hommage zijn aan mijn oom zaliger (die het verhaal heeft geschreven) en aan mijn grootvader (over wie het gaat).
 
Zo'n lange tekst past eigenlijk niet op een weblog. De logjes op een weblog zijn kort en flitsend en dus hapklare brokken, maar U moet maar bedenken dat ik deze tekst eigenlijk niet voor Ú heb overgetypt, maar voor mezelf.
 
Overgetypt? Jawel, overgetypt! Ik heb het verhaal dus niet zelf geschreven; het verhaal is indertijd geschreven door mijn oom Jozef voor het tijdschrift Concordia van het Sint-Franciscus-Xaveriusinstituut te Brugge.
 
Nog afgezien van het feit dat het zo lang is, heeft de lezer nog enkele bijkomende moeilijkheden te overwinnen...
 
- Het is een oud verhaal; de problematiek is achterhaald. Heden ten dage zou er helemaal geen probleem meer zijn. Enig inlevingsvermogen is dus noodzakelijk.
 
- Sommige delen van het verhaal zijn geschreven in een soortement 'semi-West-Vlaams', wat het voor vele mensen moeilijk toegankelijk zal maken. Hier en daar heb ik dan ook gemeend een kleine toelichting te moeten geven.
 
- De tekst is overgenomen met respect voor de manier waarop hij indertijd is neergeschreven. De spelling is ondertussen veranderd: sommige woorden zijn nu dus hartstikke verkeerd gespeld.
 
- Mijn oompje worstelde blijkbaar met de plaatsing van de leestekens. Ik heb alles gelaten zoals het was, maar hier en daar heb ik het toch behoorlijk moeilijk met de keuze en de plaatsing van de leestekens...
 
Het is dus een voor een blog vreselijk langdradige brok literatuur geworden die slechts door een select publiek daadwerkelijk zal gelezen en geapprecieerd worden. Omwille van de redenen hierboven aangehaald, zijn er ook geen prijzen meer mee te winnen.
 
Het verhaal begint met een evocatie van de jeugdjaren van de schrijver. Het eerste deel bevat dan ook namen en plaatsen en gebruiken die niet voor iedereen meteen herkenbaar zijn.
 
Voor de werkelijk geïnteresseerde lezer zou ik willen zeggen: lees 'eroverheen' (een nieuw woord!), heb geduld en wacht tot het eigenlijke thema van het verhaal aan bod komt. Ergens in het logje staan er enkele zinnen in het geel. Deze zinnen zijn sleutelzinnen en pas na kennisname van het volledige verhaal zult U beseffen waar het eigenlijk over ging.
 
Nonkel Jozef heeft in Afrika een erg emotionele ontmoeting met een andere pater gehad, laat dat voor iedereen duidelijk zijn. En die ontmoeting was zo indringend dat hij er zijn werk heeft van gemaakt om het allemaal gedetailleerd te beschrijven.
 
Voor de bezoekers die er niet 'overheen' geraken: geen nood, mijn volgende logje zal een korte inhoud van het verhaal zijn.
 
Wat U er ook van denkt, ik vind dit een waardevol experiment: een klein en volledig romannetje op een blog.
 
Familieleden die hier voorbijwaaien en kennis nemen van het verhaal groet ik op uitbundige wijze.
 
 
Johan
 

 
 
'De Kongo', de vroegere kolonie van België.
Katanga, het gebied waarvan sprake in
het verhaal van oom Jozef, bevindt zich
in het zuid-oosten van het land.

Dit hart zal nimmer rusten...

door Br. Chrysostoom c.f.x.
 
 
geboren te Zedelgem op 18 maart 1907
eeuwige geloften: 8 september 1928
overleden te Brugge op 21 mei 1975
 
 
Ik ben nu de oudste van een 'kroostrijk' gezin van elf kinders. (Mijn enige oudere broer overleed één maand vóór zijn plechtige kommunie). Een eretitel, waarvan mij geen enkele persoonlijke verdienste toekomt. Alle eer en verdienste wezen aan mijn duurbare (dierbare) ouders, die na hun huwelijk voor één dag op speelreis (huwelijksreis) gingen van Zedelgem naar Jabbeke en daarna onmiddellijk besloten het niet bij eentje of twee te laten.
 
Zeer gelukkige jeugd te lande, en onze kinderhanden waren rap gevuld. Beken en bossen, een gevangen snoek in moeders waskuip of een tamme ekster, soms een frank op zondag, misschien twee op de grote kermis en vijf van peter of meter als we onze schone brief afgelezen hadden bij de 'vernieuwing des jaars'. Schoolkameraadjes en kleine vreugden: een hondejongske dat we bijna verzopen met uitgeslabberde melk, een eigengemaakte 'vlieger' met bengelende staart van papiertjesproppen die we bijna vijftig meter hoog lieten opgaan (boven de vijftig vroeg moeder waar die nieuwe klos (spoel) van fijne touwtjesdraad nu weeral naartoe was). Zes marbels (knikkers) en een klakkebus (klapbus, proppenschieter), een hoepel die met ons de twee kilometer naar school per dag op en af bolde, rijpe okkernoten rapen en bijten in een kallebaspeer dat het sap langs uw kin liep. Naschoolse 'plichten van staat' volgens de seizoenen: zanten (= aren lezen. Na het oogsten van het graan bleef altijd wat achter op het veld. Arme mensen konden dan na het oogsten de aren oprapen en meenemen .), aardappels rapen, en wat later enkele verloren kazakken (kleine, vergeten aardappeltjes) uit de verbrande 'groeze' (aardappelloof) halen, loof wieden, zurkel (zuring) trekken, en kooltjes of sinksenbloemen planten met vader, die nog uren in de late lente- en zomerdagen slameurde (werkte, rommelde) in zijn groenten- en bloementuin na de lange bureeluren in de Nationale Maatschappij der Buurtspoorwegen, onze koe wachten (hoeden) en ondertussen al de boeken lezen der gemeentelijke bibliotheek, waarvoor Broeder Gabriël zaliger verantwoordelijk was. Een goed deel van die verantwoordelijkheid kreeg ik, nog zeer jong, te dragen. En heb er misbruik van gemaakt door 'slechte' boeken naar huis mee te smokkelen: 'De Loteling' van Conscience, 'Trimards' van Warden Oom en andere lektuur voor volwassenen. Toen ik aan mijn derde slechte boek bezig was - 'De Bende van Baeckelandt' - moet hij bemerkt hebben dat mijn zedelijk peil aan 't verwateren was. Waarom moest nu juist Wacchem Buffel paal en perk stellen aan mijn Baecckelandtse neigingen, en dát boek vragen en geen ander als het nu juist interessant ging worden in die bende? (Wacchem Buffel wou blijkbaar ook het boek ontlenen en daardoor kwam het uit dat nonkel Jozef er al mee weg was...) Ik kreeg een vermanende uitbrander, en kwam weerom terecht bij Bavo en Lieveke. Slappe koffie, zo slap als 'De Spieghel der Jonckheit'.
 
Wat is er van de schoolkameraadjes geworden? Als men, na jarenlang verblijf in de Missie, naar huis terugkeert, is men van elkaar vervreemd. Ge kent niemand meer in heel de Burgerlijke Stand van de parochie. De 'dorpstypen' die U zagen opgroeien, zijn reeds allen dood en begraven:
- Pastoor Ronse, die ons allemaal regelmatig in de katechesmuslessen voor 'buskanters' uitschold, maar op de plechtige-kommuniedag tranen met tuiten weende van ontroering. Nogal vooruitstrevend, die plechtige-kommunieceremonie op ons dorp: zij aan zij met een Sneeuwwitje - voor mij was het Rachelleke Cools, ook reeds dood en begraven - gingen we onder vespers en lof bij de doopvont verzaken aan de duivel en 'diens pomperijen'.
- Belle Braet, die de beste 'spekken' (snoep) van heel de plaatse (marktplein) verkocht, drie of vier voor één cent, twee voor een half pietje. Afslag bij hoeveelheid: een bestelling bijv. van een 'kluite', gelijk aan tien halve pietjes, of voor een kapitalist die 'zeven cent en half' of een kwartje-frank bezat.
- Duimpje Pouce, die ieder jaar de gemeentelijke bomen snoeide, en aan vijftig jaar nog geen last had van de hoogste spil van een achtkanter (Kanadapopulier): zo lenig als een kat.
- Triene Meyers met haar gouden hart, maar die kon vloeken in 't Frans en in 't Vlaams als een voerman. Tante liza beweerde altijd dat ze recht naar 'd'helle' zou gaan. Wat natuurlijk geen punt van 't geloof is.
- Onze gebuur, Darten Eeckman, die daags vóór Beloken Pasen (eerste zondag na Pasen) nog niet in orde was met zijn paasplicht. Maar moeder hield een oogske op de belangen van zijn zielezaligheid. "Darten, ge wordt toch geen geus zeker?" - "Zwijg Idalietje, ik zou liever op mijn knieën naar de kerke kruipen - en dat was ver van de Klaboeterie (wijk in de gemeente Zedelgem) naar die kerk - dan bij de paster te biechte te gaan." Maar op de laatste dag ging hij, zat water en bloed te zweten in de rij penitenten, en als hij dan buiten de kerk kwam, ging hij twee 'dreupels' (jenevers) op hun kop zetten (in zijn kelegat gieten) en vertelde in passant aan Idalietje dat hij er weerom van af was voor een jaar.
- Sjarel van Eenooghe, die bij ons in hoge verering stond omdat hij Frans kende: elk jaar ging hij 't seizoen doen diep in 't noorden van Frankrijk. "Savabjieen?" (ça va bien?) vroeg hij als hij bij vader een bestellingske kwam doen van een rolletje sjiektabak (pruimtabak) uit stad. En leerde ons de antwoorden erbij: "Sisi" of "koessiekoessa" (comme si, comme ca) "Eetwa, sava?" Natuurlijk mochten we de lelijke woorden niet gebruiken, die hij er soms thuis uitflapte: merdedjie of potvermilledjouw.
- Grootvader zaliger, een heilig mens, door iedereen in 't dorp gekend als Petje Ryheul. Ik zie nog telkens zijn beeld voor ogen als ik die zin lees of hoor: "het diep geloof onzer voorvaderen, dat in merg en been zat." Een beetje langs de strenge jansenistische kant: met Paus Pius X en de kommunie vanaf de jaren 'des verstands' is hij nooit akkoord geweest. Kommunie op de hoogdagen en de 'biddag'. Op de vooravond van die dagen moesten we goed onze mond spoelen eer we van hem het avondkruisje kregen, en dan daags nadien, toen we met hem ter kerke gingen, zwijgen heel de weg. Niet te veel zwetsen en bokkesprongen maken als we terugkeerden, een kwartier later dan de andere kerkgaande mensen.
- Manse Pestel, die dag en nacht te vinden was voor gelijk welk dienstbetoon. En haar man Pier, die 't pensejagen (stropen) in 't bloed had zitten: geen enkele sjampetter (rijkswachter) of boswachter heeft hem ooit klein gekregen.
- Zinten Klement, de machinist van 't trammetje Brugge-Leke. Als hij met de rammelende rij wagonnetjes naar 't Maantjeveld omhoogtufte, tuut-tuute hij drie keren op honderd meter afstand van de tramhalte, waar Marietje Gevaert een cafétje had, en burrelde (tierde) dan: "Marie, 'n flassche (fles) bier en drie klêintjes!" (jenevertjes) Als hij boven was, stond de bestelling van 't trampersoneel reeds te wachten. Twee minuutjes, de drie kleintjes werden op hun kop gezet, de 'flassche' reisde mee naar Brugge tot lafenis van zinten en zijn stoker, tuut-tuut, en 't trammetje was op weg naar Snellegem, 't Halfweghuis, Varsenare en verder door de Smeepoorte (de Smedenpoort, een van de stadspoorten van Brugge) tot aan de terminus in de Consciencelaan.
 
*
* *
 
Die goeie mensen van de oude tijd! Hoeveel hebben we er als jongen niet gekend? Allemaal van ons dorp. Want buiten het dorp gingen we niet veel: ongelooflijk hoe de mensen in die tijd thuisgeplakt bleven. Een Aartrijkenaar was voor ons een vreemdeling, al zagen we de kerktoren van Aartrijke staan van achter onze schuur. Als we op Heilig-Bloeddag naar Brugge gingen, heel dikwijls te voet langs de Diksmuidse Heirweg, waar men nergens de dennegeur uit de neus had, waren we donderdag voordien reeds aan 't aftellen  hoeveel keren we nog moesten slapen.
Ieder jaar lag er bij ons een nieuwe peuter te kraaien in de wieg. Ik zal niet verklappen wie de grootste 'bleiter' (bleiten = wenen) geweest is: er zijn nog zeven 'bleiters' in leven, allemaal door de jubileumjaren heen in 't klooster, of veel keren vader en grootvader, moeder en grootmoeder. We zijn er nooit achter geraakt waar 'de kindjes gekocht werden', al werden ze thuis gekocht, zoals al de kinders van 't dorp. Als de tijd naderkwam, verhuisden we voor een week - tenminste 'al de potjes die reeds oren en ogen hadden' (al de kinderen die zouden kunnen snappen wat er aan de hand was) - naar Metje (grootmoeder) Ryheul, Tante Liza of Tante Manse. Toen we weer thuiskwamen was er opnieuw een mondje bij. Broeder Célistin Deblauwe, die in zijn jonge jaren heel Zedelgem en Veldegem met zijn baal 'stikgoed' en zijn houten meter afketste, beweert dat hij mij in de wieg heeft zien liggen. Hij heeft meteen bevestigd dat Idalietje Ryheul, ons moeder, een schoon meiske was en verzocht mij eens de 'koppelmenten' (groeten) te doen. Als een Broeder naar de zeventig gaat, mag hij dat al eens zeggen. Ik heb alles overgebracht aan moeder bij mijn eerstvolgend bezoek, schoonheidsprijs, komplimenten en al. Moeder was toen 84, en riep uit: "Wel, wel, wel, waar haalt Blauwtje het uit!" Maar ik zag wel dat het haar plezier deed.
Ze kon fluiten lijkt een merel, en zingen lijk Masoeur Laurence, die ons godvruchtige kerkliedjes leerde. Moeder zong geen kerkliedjes thuis. Alleen maar van die plezante wijsjes die van God weet waar komen en reeds gekraaid werden door overgrootmoeder. We kennen nog heel de reeks van buiten: men zou er meer dan één bonte avond mee kunnen vullen.
 
"Sjareltje, Sjareltje, 'k heb het u gezeid (gezegd),
'k Heb het u gezeid en 'k zeg het u nog,
Achter Sjareltje zien d'r (zijn er) nog!"
 
Wie heeft er ooit 'Timmeloo' ineengetimmerd? De woorden alleen zijn reeds muziek:
 
"Timmeloo, tammeloo, tim-tim-tim-timmeloo,
Timmelammeloo, koekedoo, lamiejoo!
Sim, sim, sim, sim paddelemmeliempimpim,
Kunt gij de waarheid niet zeggen?"
 
Zo waren er dozijnen:
 
Koeiwachter Dikvel; Garjagarjagiette; A l'ordiné, sanbouzé; Deo, deo, sarlewa, enz.
 
En de reke (rij kinderen) groeide. Bewaarschooltje (kleuterschool) bij de zoete Masoeur Clémente, eerste leerjaar bij de strenge Masoeur Romaine, en dan naar de 'Paters' (de broeders Xaverianen). De 'Frères' zei men later, en nu de Frères of de Broeders, naar believen. Broeder Amand, R. Léonard, Br. Raymond, de onvergetelijke Broeders Gabriël en Xavier, ook een hele stoet van toegewijde mensen die vergroeid waren met het dorp. Ze spraken Westvlaams, klas of geen klas. Bij het begin van zeker schooljaar maakte een Broeder er een begin van de 'Zillegemsche' (Zedelgemse) plaatsenaars, achterplaatsenaars en zandstuivers op te voeden in het ABN (nu Algemeen Nederlands). Wat aan mijn broer Jan 's middags, tussen de karnepap (karnemelk, karnemelkse pap, oud gerecht) en de patatten met gebruinde botersaus, de kommentaar ontlokte: "k Weet nie, moeder, maar ie sprikt zo oordig. Verzekers n'n Oolander." (Ik weet het niet, moeder, maar hij spreekt zo vreemd. Waarschijnlijk een Nederlander.) De jongens van de klas werden verzocht hun lokaal idioticon in de klas en bij de klaswandelingen te vergeten. Gedaan met 'gie tjoeten', 'gie gedimsche seute', 'pretschieters, taarteklaais, fiettematruls en fokkediezetjes.' (diverse onschuldige scheldwoordjes)
 
Thuis speelden we op zolder onsterfelijke meesterwerken. Heel de garderobe, mannelijke en vrouwelijke, der voorbije generaties kwam er bij te pas, samen met de pook en 't broodmes. Broeder Efrem moet dáár besmet geraakt zijn met de toneelmikroben. Ten minste drie doden en twee verrijzenissen per stuk, derde keer was goê keer: toen was de snode valsaard voor goed naar de pieren. Na het avondgebed werd de scène gesloten. Niet het teater: buiten de kleinste twee pagadders die maar weinig belangstelling betoonden voor de Vlaamse kultuur en reeds met hun open tootje (mondje) omhoog te soezen lagen, was er geen publiek. Teken voor silentium werd gegeven door moeder: "'t Is nu genoeg! Drie weesgegroetjes en gaan slapen!" Als de inspiratie niet te stelpen was, kwam de tweede kanonieke vermaning, beneden aan de trap: "Hoe is 't (hoe zit het?), moe'k naar boven komen?" Moeder moest nooit naar boven komen: we wisten heel goed als 't menens werd. En ook nooit zeggen: "Wacht totdat vader thuiskomt!" Ze had haar eigen gezonde-verstandsmanier om orde in de bende te houden. Wie 'met zijn kop speelde' (zich koppig bleef misdragen), werd afgeschreven en bestond niet meer. Wreed, zonder kruiske naar bed gestuurd te worden en 's morgens geen antwoord te krijgen als men beneden kwam en zegde: "Dag moeder." Probeer dat maar eens twee dagen uit te houden.
 
Vader kende de natuur van buiten en van binnen. We hebben met hem hele zondagmiddagen, natuurlijk met onze 'wekedagse' kleren (kleren die men draagt op een weekdag, kleren die mogen vuilgemaakt worden) aan, in de bossen van 't Vloetemveld rondgezworven, vogelnestjes gezocht en nooit geroofd, 'keunenesten' (konijnennesten) gevonden en wél geroofd. Dit laatste tot grote ergernis van moeder, die dan beweerde dat vader nog wel eens in ' 't kot' (de gevangenis) zou terechtkomen. Een haas die 't jong boekweit aan 't verknabbelen (opknagen) was en af en toe eens in de morgendauw op zijn achterste poten ging staan, schoot hij op vijftig meter en meer trefzeker door de kop. Precies op 't moment dat 't beestje eens even ging ruiken of er geen onraad in de buurt was, staande op die achterste poten. Vader kon koken lijk de beste huismoeder. 's Zondags naar de eerste mis, daarna zorgde hij zelf wel voor 't middagmaal. Moeder mocht gerust heel de voormiddag wegblijven, en bij bakker Vlieghertje koffieklatchen (koffiekletsen) en ondertussen al 't laatste nieuws van 't dorp ondersteboven keren. Als ze thuiskwam had ze alleen nog maar de meegebrachte karamels uit te delen, en de tafel te dekken. En die zondagtafel was altijd een feest voor ons.
 
*
* *
 
Toen kwam de oorlog 14-18. Mijn zuster en ik weten er nog alles van, al zat ik dan nog mijn eerste broeken te verslijten op de schoolbanken. Mijn zuster natuurlijk haar eerste schortjes.
 
Eerst die zielige aftocht van ons leger, waarvan een stuk terugtrekkende vloed dicht bij ons huis langs de Diksmuidse Heirweg naar de IJzer (rivier in België) wegspoelde. Toen heeft ons huis drie dagen volgelegen met jongens, die bekaf waren en sliepen waar ze stonden of neervielen. Drie dagen en drie nachten bakte moeder brood en schonk koffie op. Nooit in haar leven heeft ze zoveel keren "Ge zijt welbedankt" en "Merci Madame" mogen horen. De schoonste beddelakens gingen eraan om de in rauw vlees bloedende voeten te verbinden. Als alles voorbij was, lag die Heirweg vanaf de Blauwe Kroone tot aan de Aartrijkegrens vol met weggeworpen oorlogstuig. Verder misschien ook wel. Maar zover durfden we niet meer gaan. Nu kwamen de Duitsers en via (bedoeld wordt 'volgens') de Leuvense vluchtelingen, waarvan ons dorp verscheidene dagen volgelegen had, hadden die maar een slechte reputatie. De mensen hadden schrik voor wat nu komen zou.
 
Er veranderde niet veel in ons jongensleven toen, na de eerste patrouilles en de eindeloze doortocht van de zingende 'Gott mit uns-soldaten', de bezetting haar greep deed voelen. Troepen trokken naar het front en kwamen terug, de dorpsplaats wemelde regelmatig van ingekwartierde soldaten. Schreibstube (kantoor) alhier en Regimentscommando aldaar, gotisch letters, zwart op geel en een vette pijl eronder. Ook onze schoollokalen werden aldra in beslag genomen: Lazaret (militair hospitaal) voor gekwetste soldaten. Wat we een prachtig besluit van de bezettende macht vonden. Tot we, na een week extra vakantie, met banken, borden en al in de zijbeuken der kerk terechtkwamen, en het huis des Heren tot in de verste uithoeken weergalmde van opgedreunde katechesmus-antwoorden en tafels van vermenigvuldiging.
 
Van de gewone soldaten hadden de mensen doorgaans geen de minste last. Wel van de beruchte Kommandatuur en de groene Feldgendarmes. Als men die kerels op het hof kreeg, bekeken we hun palavers met vader of moeder liefst op afstand. Ze kwamen altijd af met plagerijen of tergende Befhlpapiertjes: zoveel van de oogst afstaan, boter en spek of koper indienen, er kwam geen einde aan. Drie jaar lang waren de Feldwebels Georg Fincke en Rudolf Schlegel bij ons ingekwartierd. Twee gedaagde (niet jong meer) mensen die instonden voor de reparatiedienst van 't legermateriaal. Zeer ten schade van onze vaderlandse gevoelens en kristelijke opvoeding. Dat we na de oorlog onze burgerrechten behouden hebben, zal waarschijnlijk te wijten zijn aan het feit dat we snotjongens waren. Vader en moeder bewonderden de gave van talen van hun oudste spruiten, maar waakten erover dat het gebruik ervan in deftige perken bleef. Uitspraak had geen belang bij onze swatelarij. We kommandeerden samen met de maatjes, elk om beurt een hele groep rekruten. Das Gewehr, ab! Das Gewehr, auf! Vorwärts, march! Alleen Distje Puydt heeft het nooit verder dan Gefreiter (soldaat 1e klasse) gebracht. Toen hij de Abteilung in marsch! geblaft had, was hij het volgende kommando vergeten - "Abteilung, halt!" - en verdronk heel de groep bijna voor 't Faterland in de Moebeke. We zongen lustig - daar was de uitspraak beter, omdat Georg en Rudolf nogal hielden van 'deftige uitgalming' - 'In der Heimat, da gibt's ein Wiedersehn', en 'Drei Lilien, drei Lilien, die Pflanz ich auf dein Grab' terwijl we Mauserstukken (onderdelen van een geweer) aan 't insmeren waren, en 'Poeptje, du bist mein Ouwgenschein' als we, ver van de moederlijke oren, met hen mochten mitfahren op hun Kraffarzuig om brandhout uit het Vloetemveld naar huis te sleuren. Dat het moest Püppchen, Augenschein en Kraftfahrzeug zijn hebben we maar later ontdekt. Waren we ooit, als al die 'Scheisze', zoals Rudolf dat noemde, voorbij was, van landverraad beschuldigd geweest, dan konden we toch tot onze verdediging aanbrengen dat we evenveel liedjes met een sterke résistance-geur aan onze Feldwebels aangeleerd hadden, tekst en muziek. De meest bekende meesterstukken van die tijd waren:
 
'We zijn van 't Vlaamse bloed,
Den Duitsman is niet goed,
We zullen strijden met wapens in d'hand,
Voor 't dierbaar vaderland.'
 
Allemaal op 't airke (melodietje) van 'Sous les ponts de Paris. Verder:
 
' 'k Heen (ik heb) ne vliegmasjien zien vliegen,
't Was een Iengelsman (Engelsman) zonder liegen,
Z' ën (ze hebben) derop geschoten, z' ën hem gemist,
En den Iengelsman die zei: auw yes.'
 
Krijgsgevangenen en weggevoerden werden niet vergeten:
 
'En ne vierde van ne brood,
Ze krieg'n uus nog niet dood
Van rapen en van beten (bieten)
Ge zoed er nie van Zweten,
't Is te letter (te weinig) om te leven,
En te vele om dood te gaan,
O, m'n lief, ge moet daarom niet treuren,
Want de Krieg, die zal geen jaar meer deuren,
Ouders lief, we zijn met smart beladen, maar we zullen nooit ons land verraden!
 
Er waren er nog veel andere. Pater Antoon Vxxxxxx  (familienaam gecensureerd wegens die van de blogbeheerder), zoon van onze nonkel Jan, zal grif toegeven dat die Europa-kollegerij reeds in de familie zat een paar generaties geleden.
 
Onze engelbewaarders moeten in die tijd soms wel een beetje bleek geworden zijn rond de vleugels. Normaal hadden we 'n half dozijn keren moeten 'verongelukken' als we die sissende zwarte obuspoerstaven op een pijl de lucht inschoten, of een kogel van de huls trokken en er hem daarna weer inklopten, de helft van 't poer erboven en de helft eronder, een lucifertje en... wat maakte hij gekke kronkelingen op de grond todat de kogel eruit pafte! Zonder te spreken van stukken van zwaarder kaliber waarvan Jules van de Oost, zo genoemd omdat hij enkele jaren in Java gediend had, het koper opkocht en dan verkocht met een dik profijt.
 
1918, begin van de herfst en we voelden dat het einde naderde. Meer en meer groepen geallieerde vliegtuigen zaten dag en nacht in de lucht, het bombardementsgeluid dat we nu al bijna vier jaar in de verte hadden horen rommelen, schoof naderbij en werd duidelijker. Rudolf en Georg werden op 't laatste naar 't front gestuurd, konden geen woord uitbrengen als zij bij ons wegreden, en stopten alles wat ze niet meesleurden in onze handen. Er waren daar schatten bij: knipmessen, zaklampen, gamellen, enz. Er was lijk een stuk uit ons leven verdwenen. Ze geraakten allebei levend uit de brand, en schreven ons dit later uit de Heimat, waar alles nu ook 'Scheisze' was en op zijn kop stond.
 
*
* *
 
In 1920 had ik mijn vierde graad en ging naar 't klooster. Naar de Frères, Mariastraat 7, Brugge. Samen met mijn beste kameraad, Eugeen van Vlieghertjes, later Broeder Hippoliet (neen, niet de blogbeheerder, enkel een merkwaardig toeval). Dertien groene jaartjes oud, allebei. Och ja, ik weet het, dat men in godsnaam op die leeftijd niets kent van 't leven, en niet weet wat men doet. Verlies uw tijd niet wat ons getweetjes betreft: het is nu eenmaal zo begonnen, en we zijn er gebleven als we reeds iets meer van 't leven kenden. (?!? Wat bedoelt oom Jozef daar nu eigenlijk mee? Misschien bedoelde hij dat hij is gebleven, ook toen hij wél meer van het leven wist; hij heeft er dus geen spijt van gekregen)
 
Wat ik niet zal vergeten, en toen al niet te best begreep: dat mijn vader onmiddellijk akkoord ging. Hij had immers reeds een paar keren een diskrete allusie gemaakt over beginnen werken als de school uit was. Wat in die tijd verre van een zeldzaamheid was. Wel heb ik lang getobd hoe ik het hem zou vragen. Toen het erdoor was, heb ik het hem geen tweemaal moeten vragen. En wat ik nog minder zal vergeten: daarna is hij een ander mens geworden. Veel blijder, veel opgeruimder. Zo iemand die tot nu toe een pak op zijn hart had liggen en nu vrijer ademde. Niet gemakkelijk om begrijpen van een vader die nu nog voor acht of negen kinders te zorgen had. Een doorbraaf (door en door braaf) mens. Maar ook doorbrave mensen zitten soms te wachten op de eerste hulpcentjes die hun oudste zoon zal binnenbrengen. De twee eindjes aaneenknopen was voor hem geen pittig volksgezegde, maar een martelende realiteit. Hij zal er wel dikwijls de slaap bij verloren hebben. Het is reeds zo lang geleden! Maar had men dan moeten spreken van de achturendag en de vijfdagenweek! Zeker,'Rerum Novarum' had reeds veel stof doen opwaaien, maar waar zaten de werkgevers die gewillig bijdraaiden als men hun op hun plichten wees? Wie sprak toen van mutualiteit, ziekenbond, kindertoeslag, kredieten allerhande? Van gezinsspiritualiteit en geplande kinderzegen? En zou men een Paus die toen 'Mater et Magistra' had durven schrijven niet verweten hebben dat hij een rode ketter was? 'Il Papa rosso' - de rode paus: men heeft het nù nog durven zeggen.
 
Zweet en werk dus voor uw ouders, en alleen de eindeloze lasten dragen van de lange dagen. Nooit geen (dubbele negatie...) betaald verlof. Best niet te dikwijls aandringen op enkele frankskes per maand opslag. Men zou vader dan misschien heel droog gezegd hebben dat hij gerust kon gaan als hij iets beters had gevonden.
 
Na mij gingen er nog twee van zijn zonen naar 't klooster. Plus een dochter, stel u voor. En hij liet ze gaan. "Als ge maar gelukkig zijt, kinders". Een afscheidskruisje en ze waren de deur uit. Daarna stond hij weer alleen met al zijn lasten. Een ander mens zou lust gekregen hebben om te bidden: "God, verhoor mij! Ge zult ze toch niet allemaal terugnemen en mij alleen laten?" Maar zulk een gebed zal nooit over zijn lippen gekomen zijn. Integendeel. Hoe meer de geburen zegden dat men hem weerom eens had laten 'zitten', hoe prettiger hij het scheen te vinden. En moeder deed er nog een schepke bij. Die zegde aan Broeder Novicenmeester, die op zekere dag kwam aanlopen, dat hij de laatste die daar in zijn wiegske lag te kraaien ook heel gerust mocht inpakken en achter op zijn fiets binden.
 
Ondertussen zijt gij al uit uw lagere en hogere humaniora gegroeid en zult ge uw eerste kloosterkleed krijgen. Dit gebeurde na een zeer plechtige ceremonie die aan uw vader, die ge nooit hebt zien wenen, twee natte zakdoeken heeft bezorgd. Waarna hij gevraagd heeft, tussen vier ogen, ergens in de kloostertuin, of ge nog altijd van zin waart te blijven (of hij werkelijk van plan was broeder te blijven). Zo met 't tikje angst op dit vaderlijk gezicht. Een vraag die ge tamelijk bevreemdend vondt. "Zeker, vader, nog altijd overtuigd dit kleed (habijt van kloosterling) te blijven dragen." En ge denkt er tevens bij: "God sta mij bij, moge het laatste vergaan met mijn gebeente!" Stilte. Ge wacht op het waarom van die vraag. Maar vader staat mijmerend en verloren in gedachten naar de grond te kijken. Afwezig. Of schouwt hij in 't verleden? " 't Is maar, ziet ge, een weggelopen pater..." Meer heeft hij niet gezegd.
(hier wordt allusie gemaakt op het feit dat het indertijd een grote schande was als een pater 'wegliep' uit het klooster, of dus 'zijn kap over de haag wierp'. Als men zich eenmaal had geëngageerd als pater of kloosterzuster of als priester, dan was er geen weg meer terug.)
 
Ja, die 'weggelopen-pater-schande' van vroeger kent ge reeds. Al was er soms hoegenaamd geen zweem van schande aan als iemand het klooster verliet. Maar nooit of nooit dacht ge daarbij dat dit alles iets met vader te maken had. Vroeger jaren was het nieuws zeer karig in een plattelandsdorp, en de mentaliteit zeer enggeestig. Dan bleef die zogezegde schande van 'weggelopen pater' gebrandmerkt in uw vel tot aan 't einde van uw dagen. Maar waarom spreekt vader nù daarvan? Met die bezorgdheid op zijn wezen (aangezicht). Als de laatste mens vertrokken is, en het noviciaat zeer stil geworden, zit ge er nog over te piekeren. Geen antwoord en geen uitleg.
 
Gelukkig dat er geen piekertijd op uw programma voorzien is. Werken, studeren, bidden, ontspanning: de dagen vliegen. Na uw eerste noviciaatsjaar, het tweede. Veel minder streng dan het eerste: tussen enkele verplichtingen door kunt ge gerust verder studeren. Ora et labora, bid en werk. Veel labora, handwerk, lessen, studie. Zoveel labora dat ge er doorgaangs rond middernacht nog niet klaar mee waart. Om kwart vóór vijf weer uit de veren. De dagen van uw vormingstijd razen voorbij.
 
Dan, uw eerste bengels in uw eigen klas. Daarna een tweede serie, een derde. En zo zal het wel blijven doorgaan. 'Schön ist das Leben".  Gelukkig, diep gelukkig. Wat nu niet precies wil zeggen dat ge elke avond in laus-et-jubilatiostemming (lof- en jubelstemming) op uw bed neervalt. En nog minder in die stemming opstaat. Uw jongere broer ondertussen legt zijn geloften af op zijn sterfbed: De hemel 'gestolen' aan 17 jaar. De derde komt ook al in 't klooster. Met die glimlach van een mens die gelukkig is. En een van uw zusters zit weldra in de zusterkleren. Ook met die glans op haar gelaat van mensen die weten dat ze het beste deel verkozen hebben. Zo af en toe - eerder zeldzaam - valt ge eens samen binnen in het oude trouwe vaderhuis, waarvan ge elke steen en iedere boom in 't ronde kent. En waar nu twee mensen, die ons met duizend en een zorgen grootgebracht hebben, geen weg weten met hun kristelijk geluk en fierheid.
 
*
* *
 
Maar aan die mensen zal nog meer gevraagd worden. Hun zoon gaat naar de missie. Volle verstand en vrije wil. Volle verstand is veel gezegd; ge hebt immers geen benul van alles wat daar in de missie op u te wachten staat. Geen 't minste: daar zijt ge nog te groen voor. Maar vrije wil, heel zeker: uw overste heeft immers gezegd, toen uw naam op 't lijstje stond, dat ge nog steeds kondt weigeren. Of gaan. En ge zijt gegaan.
 
Daar staat ge dan - meer dan dertig jaar geleden is dat nu - op die witte C.M.B.-boot (Compagnie Maritime Belge Du Congo). Samen met uw vader en uw moeder. Uw moeder die er geen traan voor laat als ze het laatste afscheidskruisje geeft. Maar wel uw vader: die reus staat daar te snikken bij de gangway (loopplank). En fluistert u in de oren, dat hij zo blij is dat zijn oudste zoon nu 'in zijn plaats vertrekt'. Nu mag ons Heer hem roepen wanneer Hij wil. En hij werd geroepen: ge hebt hem nooit meer teruggezien.
 
Nu varen wij al naar Katanga toe. 'In zijn plaats,... in zijn plaats...' Bevreemdend. Ge krijgt er kop noch staart aan, en weerom zijt ge daarover af en toe aan 't piekeren. Niet lang echter. Eens na een lange en voorspoedige reis ter plaatse aangekomen, begraaft men u in 't missiewerk.
 
Van nul af beginnen. Of daaromtrent. De enige 'schoolmeester' van uw eerste missieschool in de negerwijk van Jadotstad verklaart u zeer overtuigd dat er maar twee studiejaren bestaan. En geen zes, zoals het properkens gedrukt staat in de officiële brochure van het lager onderwijs, programma en al. Wat doen die grote pummels hier dan, en die meisjes die gerust al een plaatsje konden krijgen in de 'bannen van den huwelijken staat'? "Pius, waar zit dat eerste studiejaar, rechts of links in de klas? Gisteren immers zaten die en die nog rechts, vandaag zitten ze links." "Ja, ziet ge, zegt Pius, die gelukkig een goed mondje Frans spreekt: cela dépend, dat hangt ervan af. Ze verhuizen nogal veel van het eerste studiejaar naar het tweede, en omgekeerd. Het eerste studiejaar kent niets, het tweede kent iets. Als er een grote kinkel zomaar uitflapt dat sept fois dix égale soikswante, kan hij toch in 't tweede studiejaar niet blijven zitten." Ja, ge zit hier zelf in uw eerste studiejaar, veel goede wil, maar geen verstand van die klasgevende metode. Nog alles te leren.
 
En uw kleppers en klepperinnen halen nogal toeren uit. Vandaag paleesa-présent, en morgen reeds verdwenen. En overmorgen ook misschien. Geen schoolwet: eer ge een wet stemt, moet ge er zeker van zijn dat ge die wet zult kunnen doen uitvoeren. Uw jeugdige ijver vervangt soms de wet. Als ge dan een van uw verloren schapen te pakken krijgt en die terug wilt sturen, zegt hij heel eenvoudig: Nakatala! Ik weiger. En vader en moeder, bij wie ge in beroep gaat, zeggen verveeld: "Kaze, yake." Zoveel als: " 't Gaat ons niet aan, daar moet hij zelf over beslissen." De kleine spijbelaar zal dus terugkomen als hij daar zin in heeft. Of helemaal niét, als hij zijn kati-slingerlap interressanter vindt dan de tafels van vermenigvuldiging en 'nous avond, vous avez, ils ont."
 
En dat Swahili-taaltje! Tjuu (nondedju - au non de Dieu - brave vloek), dàt moeten ze gesproken hebben als de bouwmeester van de Toren van Babel het faillissement nabij was. Vuisten maken in uw zakken, en altijd maar opnieuw proberen: zij zullen hem niet temmen. Of een briefje schrijven aan uw ouders als de stoomdruk wat te veel omhoog gaat. Duurbare Ouders. Ik beleef de beste jaren van mijn leven. Neen, nog geen leeuwen gezien. Ge vraagt wat we hier zoal eten? Hetzelfde als bij ons. Nog geen menseneters ontmoet? Maak U geen zorgen. Geen vier seizoenen hier, twee: regenseizoen en droog seizoen. Zes maanden zonder een druppel water. Warm hier te Jadotstad? Dragelijk. Koud zelfs gedurende enkele maanden van het droog seizoen. En wat de zwarte sjarlewies (rare kwieten) op school betreft: nog altijd beste maatjes, al begrijpt ge ze soms moeilijk, enz., enz.
 
Lees meer...   (30 reacties)

Medebloggers,
 
Ik vond mezelf een vreselijke cultuurbarbaar toen ik in een van mijn vorige logjes toegaf dat ik Het verdriet van België van Hugo Claus niet uitgelezen had gekregen.
 
Wat lees ik nu in de Humo van deze week (nr. 15/3527, 8 april 2008)?
 
In de rubriek 'De week van' (pagina 18) is Christine Van Broeckhoven aan het woord. Mevrouw Van Broeckhoven is professor moleculaire biologie en genetica en zij zegt in die rubriek het volgende:
 
"En als u het per se wilt weten: nee, ik heb 'Het verdriet van België' niet uitgelezen. Als ik de eerste 50 pagina's van een boek te moeilijk vind, probeer ik nog door te bijten tot pagina 100, maar als het dan niet lukt, hou ik er mee op. Maar nu ik wat ouder ben en wat meer levenservaring heb, moet ik het misschien nog maar eens opnieuw vastnemen."
 
Nou, Medebloggers, dat is toch krek hetzelfde als wat ik zei?!?
 
Dank, Mevrouw Van Broeckhoven, voor uw eerlijkheid. Ik voel mij bij U in goed gezelschap.
 
Nu, U hoeft niet te reageren hoor, Medebloggers. Deze discussie wordt een beetje vervelend en steriel, maar ik kon toch niet nalaten te vermelden dat ook slimmere mensen dan ikzelf ook moeite hebben met 'Het verdriet'.
 
Dank voor uw welwillende aandacht en gaat U nu maar lekker slapen. Morgen gezond weer op.
 
De Drs.
Lees meer...   (21 reacties)
        
 
     
 
     
 
DE MENSEN DIE MIJ LEERDEN LEZEN... 
 
 
Ja, vrienden van het web,
 
Hierboven ziet U enkele schrijvers die mij hebben leren lezen. Eigenlijk kon ik het al een beetje, hoor! Ik kon namelijk al flink van je 'aap-noot-mies' geven, maar zij gaven aan dat lezen een diepere dimensie.
 
De bollebozen onder U mogen namen onder de plaatjes plakken. In tijd en ruimte beperkte roem zal hun deel zijn.
 
Was getekend,
 
Drs. Johan Arendt Happolati
 
P.S. Oprechte excuses aan alle schrijvers die hier op dit beroemde blog hun foto niet vereeuwigd zien en waarvan ik toch letters en woorden en zinnen heb gedronken die mij hebben beïnvloed.
Lees meer...   (81 reacties)
 
 
DE BOMEN 
 
 
Nog altijd geen inspiratie.
 
Dus ga ik het maar lenen bij mensen die er wel verstand van hadden...
 
 
De Bomen
 
De bomen waren stil,
de lucht was grijs,
de heuvelen zonder wil
lagen op vreemde wijs.
 
De mannen werkten wat
rondom in de aard,
als groeven ze een schat,
maar kalm en bedaard.
 
Over de aarde was
waarschijnlijk alles zo,
de wereld, en 't mensgewas
ze leven nauw.
 
Ik liep het aan te zien
bang en tevreden,
mijn voeten als goede liên
liepen beneden.
 
 
Herman Gorter
 
(26/11/1864 - 15/09/1927)
 
 
(Muze,
Ik verkeer in hoge nood.
Mijn pen verdroogt. 
Sta mij bij.
U kent toch mijn adres, mag ik verhopen?
Mijn gsm-nr is 0486 67 54 37
P.S. Het is dringend.)
Lees meer...   (30 reacties)
 
 
DE OVERTOCHT 
 
 
De eenzame zwarte boot vaart
in het holst van de nacht
door een duisternis, woest en groot,
den dood, den dood tegemoet.
 
ik lig diep in het kreunende ruim,
koud en beangst en alleen
en ik ween om het heldere land
dat achter den einder verdween
en ik ween om het duistere land
dat flauw aan den einder verscheen
 
die door liefde getroffen is
en door het bloed overmand
die ervoer nog het donkerste niet,
diens leven verging niet voorgoed;
want de uiterste nederlaag
lijdt het hart in den strijd met den dood
 
o! de tocht naar het eeuwige land
door een duisternis somber en groot
in de nooit aflatende angst
dat de dood het einde niet is.
 
Hendrik Marsman
(30/09/1899 - 21/07/1940) 
 
 
De Nederlandse dichter Hendrik Marsman was heel zijn leven lijfelijk bang voor de dood.
 
Hij schreef het gedicht 'De Overtocht' in 1938.
 
Hij vond de dood toen de Berenice, het schip waarop hij naar Engeland vluchtte, in 1940 in Het Kanaal werd getorpedeerd. Zijn vrouw was de enige overlevende.
 
 
 
Lees meer...   (40 reacties)
 
Wat zegt u daarvan? Een mens hoort er van op:
Opgehouden met roken, ben ik, acht en dertig jaar oud,
Begonnen gedichten te schrijven.
Zuipen en de rest net als vroeger. 
 
Hoek van Holland, donderdag 16 augustus 1962.
Enige uren geleden heb ik mij uit Amsterdam op reis begeven met bestemming de Schotse hoofdstad Edinburgh, waar, van 20 tot en met 24 augustus, ter gelegenheid van het Edinburgh Festival, een International Writers Conference zal worden gehouden, tot deelneming waaraan ik ben uitgenodigd. Aldus bevind ik mij in de eersteklas lounge van de nachtboot naar Harwich, de Duke of York, die kort voor middernacht, over ongeveer een uur, zal vertrekken. (Lounges op schepen zijn, hoe kostbaar ook het gebezigde materiaal moge zijn - wat hier niet het geval is - altijd even lelijk. Wie gelooft dat het einde der tijden op handen is, moet zijn geloof wel in dit soort interieur bevestigd zien, welks stijl niet meer wezenlijk vergelijkbaar schijnt met enige vroegere stijl uit de geschiedenis.) Eersteklas overtocht was niet mijn wens, maar mijn te late reservering liet mij geen andere mogelijkheid over. Zoals u bekend zal zijn, is eersteklas reizen duurder, maar meestal ook aangenamer, omdat de toegemeten ruimte per persoon royaler, en het comfort beter is. Om de mensen echter hoeft u het niet te doen: zo men in tweede klasse wellicht nog enkele fatsoenlijke, godvrezende mensen zou kunnen aantreffen, in de eerste klasse is het werkelijk allemaal schorum. Het afgelopen half uur heb ik van walging mijn ogen bijna geen moment kunnen afhouden van twee, aan hetzelfde tafeltje gezeten, inkopers of assistent-hoerenlopers, de één met een bek als een apenreet, de ander met een gezicht dat zowel vreeswekkend is door zijn anonimiteit als deerniswekkend door de pogingen van de eigenaar, er gevoelens en gedachten op tot uiting te brengen die hij niet bezit. Met brede gebaren, peinzend gewrijf over het gezicht en noodlottorsende  blikken door de lounge worden luide verklaringen voorbereid als 'I do think you're right there' of 'Ah, well, there you are'. Hoewel ze vijf stappen van de bar zitten, moeten ze, als mannen van de wereld, aan hun tafeltje bediend worden, waarbij beiden tegenover de kellner een welwillende, zij het lijdende houding aannemen.
 
Openingszinnen uit de bundel 'Op Weg Naar Het Einde' (1963), 'Brief Uit Edinburgh' van Gerard Reve (14/12/1923 - 08/04/2006)
 

Ik groet u allen zeer. 

Lees meer...   (16 reacties)
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl